Interview

Humor | Gesprek
TEKST: PAT VANDERHAEGHE – FOTO’S: PAUL DE MALSCHE
Een artiest is de bougie, het publiek versterkt de vonk…
Begijn Le Bleu over zijn nieuwste voorstelling

Timothy Begijn, beter bekend als ‘Begijn Le Bleu’, staat ondertussen bijna tien jaar op de scène. Sinds het seizoen 2006-2007 is het zelfs zijn hoofdactiviteit geworden. Dat ligt niet zo voor de hand voor iemand met een redelijk eigenzinnig parcours, die zichzelf eerder als ‘verhalenverteller’ ziet, dan wel als ‘standup comedian pur sang’. Binnenkort staat hij in onze regio met ‘Flamingo’s in de polder’. Even vragen of dit iets met de opwarming van het klimaat te maken heeft…

‘Begijn Le Bleu’ is onder meerdere noemers vatbaar. Door je deelname aan Humorologie zat je in het schuitje van de comedians, daarna werd het conferencier en nu blijk je een ‘verhalenverteller’ te zijn. Klopt dit met wat je zelf wilt?

Begijn: Humor is altijd mijn ding geweest. Het geeft voldoening om een publiek aan het lachen te brengen, maar gaandeweg wilde ik ook mijn liefde voor verhalen in mijn voorstellingen kwijt. Eerst was het een prettig kader, een soort houvast waarin ik mijn humor kwijt kon. Het verhaal wordt echter steeds belangrijker voor mij. Humor wordt dan meer het middel om je doel te bereiken. En dat probeer ik te doen op mijn eigen wijze. Ik hou zelf ook niet zo van die hokjes; neem twintig verhalenvertellers en je hebt twintig unieke voorstellingen. Mijn voorstelling onderscheidt zich door mijn typetjes, mijn vrij fysieke manier van vertellen, enfin: Begijn Le Bleu, dus. Het publiek geeft trouwens geen moer om het feit of ik nu acteur of cabaretier ben. Een publiek wil geboeid worden. En er is altijd wel een groepje ‘deskundigen’ dat eindeloos maar vaak oeverloos kan discussiëren over wat je doet. Laten we hetgeen ik doe ‘verhalend cabaret’ noemen, dan heeft het kind een naam en kan iedereen rustig gaan slapen.

Je speelt vaak in Nederland. Nu zegt men wel eens dat Vlamingen beter luisteren naar de inhoud, terwijl Nederlanders uitbundiger reageren op grappen of goede vondsten. Ervaar je dat ook zo?

Begijn: Daar kan ik geen sluitend antwoord op geven. Wat me wel opvalt, is dat mensen, ook artiesten, zowel in Nederland als in Vlaanderen, steeds meer gaan denken dat ze enkel moeten vermaakt worden of vermaken. Voldoet het niet aan die verwachtingen dan ligt de teleurstelling niet veraf. Zo krijg je risicoloze podiumkunsten. Het is de ‘brood en spelen’- mentaliteit die er meer en meer insluipt. Ik vind dat er ook plaats moet zijn voor verbazing, voor twijfel of zelfs voor rechtuit ‘shockeren’, zonder dat je daar de artiest voor verantwoordelijk stelt. Een artiest is de bougie, wat hij of zij doet is de vonk, het publiek versterkt die vonk, zodat de motor begint te draaien. Het aandeel van een publiek is dus heel groot.

“Flamingo’s in de polder” vertelt het verhaal van mensen aan de rand van de samenleving, drop-outs, daklozen,… Houdt dat je bezig of is dit een metafoor, een context om wat je kwijt wilt tegen te projecteren?

Begijn: Het is geen metafoor. Het gaat over de ‘losers’ van deze wereld, maar ook over mij. Als we het over arm en rijk hebben, wordt de kloof er alleen maar groter op de laatste jaren. Ik heb het in mijn voorstelling over een paar mensen die aan lager wal zijn geraakt en hoe ik, gezonde, rijke wereldburger, daar op reageer. Dit leidt soms tot hilarische momenten, maar er is ook spot, cynisme, verstilling en inzicht. Het vertrekpunt voor de voorstelling ligt bij het fotoboek ‘De mens die ik ben van ‘Stef Renodeyn. Dat is een fotograaf uit Belsele, die ik leerde kennen. Hij had pakkende foto’s genomen van mensen die aan de rand van de samenleving leven. Gaandeweg leerde ik dat het niet zo evident is een humorvoorstelling uit zoveel ellende te puren, omdat ik met respect wilde omgaan met die mensen. Anderzijds wilde ik er geen brave politiek correcte speech van maken. Er zitten nu eenmaal ‘smeerlapkes’ in dat milieu. Na wat denkwerk vond ik de juiste manier om mijn verhaal te vertellen; ik betrek er mezelf bij. En mijn deel van het verhaal is niet altijd even proper. De typetjes houden het licht en tegelijkertijd werken ze tragisch. Ik ben blij met het resultaat: een volkse voorstelling met een paar ideeën. Een tiental foto’s van Stef reizen mee met de tournee.

In “De prins op het witte paard” speelde je een behoorlijk maf typetje, dat me deed denken aan een bijna-karikatuur à la Jeroen Bosch of een karakter dat weggelopen is uit een Beckett. Kunnen we ook nu weer zo’n figuur verwachten?

Begijn: Nee, de verleiding was groot en zulke types zitten ook in mijn hoofd, maar ik vond de tijd niet binnen mijn verhaal om zo’n rare vogel neer te zetten. Het was niet functioneel genoeg. De types in ‘Flamingo’s…’ zijn volkser maar daarom niet minder humoristisch of tragisch. Ze zitten dichter op je vel omdat ze herkenbaarder zijn. Het was trouwens tijd om Tino Schietekat los te laten. Ik wil niet voor de rest van mijn leven Tino spelen.

Hoe ver of hoe dicht staan de types die jij creëert bij Timothy Begijn? Ben je de “nar” die ongestraft zijn mening zegt of zijn die typetjes je handelsmerk?

Begijn: Ik speel gewoon graag typetjes. En die staan soms heel dicht tegen mij, maar vaak zeggen zij ook dingen waar ik helemaal niet mee akkoord ga. Ze doen of zeggen dingen die mij raken. Evident, eigenlijk. Ik voel ook dat ik daar aanleg voor heb: een krakend stemmetje, een kromme rug en ik ben vertrokken.

Hoe ‘groeit’ bij jou zo’n stuk? Wordt het bedacht achter een wit blad of blank scherm of ontstaat het toch al spelende, aan de hand van try-outs,…

Begijn: Ik zie wekelijks dingen gebeuren die de fictie overstijgen. Het leven zit vol met zulke beelden. Je moet daar geen moeite voor doen. Zulke momenten vormen een bron van inspiratie en kunnen deel uitmaken van mijn verhaal. Maar soms zit ik gewoon voor een blank scherm. De try-outs zijn er om je tekstmateriaal te testen en het geheel te laten evolueren. Een paar keer figuurlijk uitschuiven is dan aan de orde. Maar slechte grappen houden je ego aan de grond. Bij humor is try-outen een noodzaak.

Je hebt met ‘De prins…’ het Camerettenfestival gewonnen in Rotterdam, een toonaangevend cabaretconcours in Nederland. Toch ben je niet bekend bij het grote publiek. Is dat iets om werk van te maken?

Begijn: Ik ben geen BV of idool. Dat heeft voor- en nadelen. In ieder geval wil ik mij blijven realiseren dat er schouwburgen zijn die mij boeken en dat er een publiek bestaat dat risico’s wil nemen. Een publiek dat, zoals Bart Peeters het ooit zei, een parkeerplaats moet zoeken, een babysit moet aanspreken en kaarten heeft besproken. En dat allemaal voor mijn voorstelling, waar ze zich vaak geen idee van kunnen vormen. Dat is niet vanzelfsprekend in tijden van idolatrie en massaconsumptie. Ik kan van mijn voorstellingen leven en dat is altijd een doelstelling geweest, maar je speelt natuurlijk het liefste voor een volle zaal.

Hoe zie je jezelf verder evolueren? Ben je nu al bezig met alweer nieuwe ideeën of sleutel je nog aan ‘Flamingo’s…’?

Begijn: Er zijn nog een aantal ideeën die ik wil uitwerken. Ik hou van figurentheater, dus daar wil ik nog werk van maken, solo of in groep, afhankelijk van wat er zich aandient. Verder zoek ik samen met Alain Pringels naar een gepaste theatertekst om binnen afzienbare tijd op de planken te brengen en mijn nieuwe humorvoorstelling heb ik in een heel ruwe vorm al op papier. Die voorstelling is voor het najaar van 2010 en dat zal er sneller zijn dan ik dacht.

Flamingo’s in de polder – Begijn Le Bleu
vrijdag 3 april 2009 – 20.15 uur
Hamme, CC Jan Tervaert
info en tickets: 052-48.09.48 en www.jantervaert.be

No Comment

Comments are closed.